Grafstenen en hellepijn
bederf tot in het vlees
woekering zonder vrees
voor rotting en venijn.
schimmel in etensresten
die in zijn bunker leven
het is hem om het even
hij zit niet in de nesten
het bot rot langzaam weg
maar hij maakt zich niet druk
om al dat ongeluk
Hij heeft gewoon wat pech
draagt fier zijn meurend juk
van wolf en zoet geluk.
dinsdag 10 mei 2011
zondag 4 juli 2010
Vrijdag 2 juli 2010
Prachtig lied
Vandaag schrijf ik geen prachtig lied,
geen zin om van te dromen,
niets waar u even van geniet.
Mijn lege ader doet het niet,
het wil er niet van komen.
Vandaag schrijf ik geen prachtig lied.
Het doet me al met al verdriet.
U lijkt wel beet genomen,
niets waar u even van geniet.
Dit leed doet u misschien geen biet
kom, laat uw tranen stromen.
Vandaag schrijf ik geen prachtig lied.
U treft geen dichter in ’t verschiet
veel valt er niet te bomen.
Niets waar u even van geniet.
Het maakt me lichtelijk kierewiet,
er is niet door te komen.
Vandaag schrijf ik geen prachtig lied,
niets waar u even van geniet.
Prachtig lied
Vandaag schrijf ik geen prachtig lied,
geen zin om van te dromen,
niets waar u even van geniet.
Mijn lege ader doet het niet,
het wil er niet van komen.
Vandaag schrijf ik geen prachtig lied.
Het doet me al met al verdriet.
U lijkt wel beet genomen,
niets waar u even van geniet.
Dit leed doet u misschien geen biet
kom, laat uw tranen stromen.
Vandaag schrijf ik geen prachtig lied.
U treft geen dichter in ’t verschiet
veel valt er niet te bomen.
Niets waar u even van geniet.
Het maakt me lichtelijk kierewiet,
er is niet door te komen.
Vandaag schrijf ik geen prachtig lied,
niets waar u even van geniet.
zondag 18 april 2010
Ik heb een kind dat stemmen hoort,
waardoor zijn leven wordt verstoord.
Ik heb een kind, zo ongehoord
bang en eenzaam doolt hij voort.
Ik heb een kind kwetsbaar en stil,
die van het leven houden wil.
Ik heb een kind dat leven wil,
niet beven wil, doordat een pil
regeert over zijn levenswil.
Het maakt me stil.
waardoor zijn leven wordt verstoord.
Ik heb een kind, zo ongehoord
bang en eenzaam doolt hij voort.
Ik heb een kind kwetsbaar en stil,
die van het leven houden wil.
Ik heb een kind dat leven wil,
niet beven wil, doordat een pil
regeert over zijn levenswil.
Het maakt me stil.
donderdag 25 februari 2010
Overleven
Kent u ze, die huizen uit nieuwbouwwijken die overal bestaan uit blokken eengezinswoningen met een voor- en een achtertuin?
Dan zal het u niet verbazen, wanneer ik u vertel dat dit verhaal zich afspeelt in een van die huizen.
U herkent het huis meteen als u door de wijk loopt. De tuin is niet zo goed verzorgd, maar in de achtertuin staat een prachtige boom met roodbruine bladeren. Aan de voet van die boom ziet u een paar witte tegels, waaronder de overleden huisdieren begraven liggen. Sinds poes Yessie daar ook ligt, heeft die plek een speciale betekenis voor de bewoners van dat huis.
Yessie was nog maar een paar weken oud toen de tienjarige jongen met het beestje kwam aanzetten. Hij had het gered van een wrede verdrinkingsdood in een met stenen gevulde zak. Het poesje kon nog niet zelfstandig eten en met heel veel liefde en zorg heeft hij het diertje door deze moeilijke periode gesleept. Rommelend met pipetjes en theelepeltjes bracht hij de kattenmelk bij haar naar binnen. Hij sloot zijn jongenshanden om haar heen en gaf haar meer warmte en moederliefde dan menige vrouw haar kind. Yessie groeide uit tot een kwieke dame. Ze was geen lieve kat. Ze duldde geen andere dieren in huis en eiste grommend haar plek op. Zij droeg de sporen van de evolutie van een boerderijkat die moest overleven. Geen spreeuw was veilig voor haar.
Af en toe bracht ze de jongen haar jachtbuit. Daar schrok hij van, maar hij toonde zich wel gevleid over dit bewijs van aanhankelijkheid. Zijn verbod om te jagen maakte op Yessie geen enkele indruk.
Tussen kat en kind bestond een innige band. Ze hadden alles voor elkaar over, zelfs hun leven, zoals later zou blijken. Wanneer hij uit school kwam, liep ze hem tegemoet en als hij thuis was zat ze spinnend bij hem op schoot. Zij maakte voor hem een uitzondering, de andere gezinsleden vereerde ze nooit met een bezoek op schoot.
Hiermee zou het sprookje kunnen eindigen. Het liep anders. Toen de jongen een jaar of zestien was, begon het op te vallen dat hij bizar gedrag vertoonde. Hij werd van school gestuurd en bleef dagenlang op bed liggen. Zijn kamer veranderde in een zwijnenstal en zijn ouders verloren het contact met hem.
Het leek wel of hij alleen nog met Yessie ‘gewoon’ kon blijven doen. Zij was zijn enige contact met de realiteit. Voor het overige leefde hij in een wereld van wanen en demonen.
Het leven met hem onder één dak was ondraaglijk geworden voor zijn ouders. In die tijd was er niemand die kon of wilde helpen, omdat hij geen hulp wilde. Toen zijn ouders er een paar dagen tussenuit waren om wat op adem te komen, ontstond er brand in huis. De jongen die op zolder lag te slapen merkte daar niets van. Weldra zou de rook hem dermate bedwelmen dat wakker worden niet meer mogelijk was.
Als Yessie verstandig was, dan nam ze de benen via het kattenluik. Zij dacht er niet over en is naast hem gaan zitten krijsen, net zo lang tot hij wakker werd. Met haar geschreeuw wees ze hem de weg door het donkere met rook gevulde huis. Met zijn handen langs de muren en met behulp van de poes kon de jongen het vege lijf redden en het huis uitkomen.
Buiten ontdekte hij dat Yessie nog binnen was. Hij is het huis weer in gerend om haar te zoeken. Hij vond haar en droeg haar liefdevol naar buiten.
Liefde tussen mens en dier overstijgt dikwijls het eigenbelang. Toen de jongen uiteindelijk na diverse opnames een eigen huis kreeg, was het voor iedereen vanzelfsprekend dat Yessie met hem mee zou gaan. Behalve voor hem.
Hij die zichzelf niet ziek vond, van psychiaters niets moest weten, vond dat hij geen medicijnen nodig had, bleek meer inzicht te hebben in zijn beperkingen dan op het eerste gezicht leek.
“Ik kan niet eens voor mezelf zorgen mam, dat doe ik haar niet aan.”
Hij liet Yessie achter in het ouderlijk huis. Wanneer hij zijn ouders een bezoek bracht, werd zijn komst al geruime tijd vooraf aangekondigd door het zenuwachtige gemekker en gedrentel van Yessie.
Yessie had beter naar hem moeten luisteren. Ze werd op het laatst te oud om te jagen. Ze had een mooiere dood verdiend dan te stikken in een door haar gevangen spreeuw. De jongen bleef er wonderlijk nuchter onder.
“Jagen hoorde bij haar natuur en is niet zonder risico’s”, zei hij terwijl hij haar met veel zorg een mooie plek onder de boom gaf.
Kent u ze, die huizen uit nieuwbouwwijken die overal bestaan uit blokken eengezinswoningen met een voor- en een achtertuin?
Dan zal het u niet verbazen, wanneer ik u vertel dat dit verhaal zich afspeelt in een van die huizen.
U herkent het huis meteen als u door de wijk loopt. De tuin is niet zo goed verzorgd, maar in de achtertuin staat een prachtige boom met roodbruine bladeren. Aan de voet van die boom ziet u een paar witte tegels, waaronder de overleden huisdieren begraven liggen. Sinds poes Yessie daar ook ligt, heeft die plek een speciale betekenis voor de bewoners van dat huis.
Yessie was nog maar een paar weken oud toen de tienjarige jongen met het beestje kwam aanzetten. Hij had het gered van een wrede verdrinkingsdood in een met stenen gevulde zak. Het poesje kon nog niet zelfstandig eten en met heel veel liefde en zorg heeft hij het diertje door deze moeilijke periode gesleept. Rommelend met pipetjes en theelepeltjes bracht hij de kattenmelk bij haar naar binnen. Hij sloot zijn jongenshanden om haar heen en gaf haar meer warmte en moederliefde dan menige vrouw haar kind. Yessie groeide uit tot een kwieke dame. Ze was geen lieve kat. Ze duldde geen andere dieren in huis en eiste grommend haar plek op. Zij droeg de sporen van de evolutie van een boerderijkat die moest overleven. Geen spreeuw was veilig voor haar.
Af en toe bracht ze de jongen haar jachtbuit. Daar schrok hij van, maar hij toonde zich wel gevleid over dit bewijs van aanhankelijkheid. Zijn verbod om te jagen maakte op Yessie geen enkele indruk.
Tussen kat en kind bestond een innige band. Ze hadden alles voor elkaar over, zelfs hun leven, zoals later zou blijken. Wanneer hij uit school kwam, liep ze hem tegemoet en als hij thuis was zat ze spinnend bij hem op schoot. Zij maakte voor hem een uitzondering, de andere gezinsleden vereerde ze nooit met een bezoek op schoot.
Hiermee zou het sprookje kunnen eindigen. Het liep anders. Toen de jongen een jaar of zestien was, begon het op te vallen dat hij bizar gedrag vertoonde. Hij werd van school gestuurd en bleef dagenlang op bed liggen. Zijn kamer veranderde in een zwijnenstal en zijn ouders verloren het contact met hem.
Het leek wel of hij alleen nog met Yessie ‘gewoon’ kon blijven doen. Zij was zijn enige contact met de realiteit. Voor het overige leefde hij in een wereld van wanen en demonen.
Het leven met hem onder één dak was ondraaglijk geworden voor zijn ouders. In die tijd was er niemand die kon of wilde helpen, omdat hij geen hulp wilde. Toen zijn ouders er een paar dagen tussenuit waren om wat op adem te komen, ontstond er brand in huis. De jongen die op zolder lag te slapen merkte daar niets van. Weldra zou de rook hem dermate bedwelmen dat wakker worden niet meer mogelijk was.
Als Yessie verstandig was, dan nam ze de benen via het kattenluik. Zij dacht er niet over en is naast hem gaan zitten krijsen, net zo lang tot hij wakker werd. Met haar geschreeuw wees ze hem de weg door het donkere met rook gevulde huis. Met zijn handen langs de muren en met behulp van de poes kon de jongen het vege lijf redden en het huis uitkomen.
Buiten ontdekte hij dat Yessie nog binnen was. Hij is het huis weer in gerend om haar te zoeken. Hij vond haar en droeg haar liefdevol naar buiten.
Liefde tussen mens en dier overstijgt dikwijls het eigenbelang. Toen de jongen uiteindelijk na diverse opnames een eigen huis kreeg, was het voor iedereen vanzelfsprekend dat Yessie met hem mee zou gaan. Behalve voor hem.
Hij die zichzelf niet ziek vond, van psychiaters niets moest weten, vond dat hij geen medicijnen nodig had, bleek meer inzicht te hebben in zijn beperkingen dan op het eerste gezicht leek.
“Ik kan niet eens voor mezelf zorgen mam, dat doe ik haar niet aan.”
Hij liet Yessie achter in het ouderlijk huis. Wanneer hij zijn ouders een bezoek bracht, werd zijn komst al geruime tijd vooraf aangekondigd door het zenuwachtige gemekker en gedrentel van Yessie.
Yessie had beter naar hem moeten luisteren. Ze werd op het laatst te oud om te jagen. Ze had een mooiere dood verdiend dan te stikken in een door haar gevangen spreeuw. De jongen bleef er wonderlijk nuchter onder.
“Jagen hoorde bij haar natuur en is niet zonder risico’s”, zei hij terwijl hij haar met veel zorg een mooie plek onder de boom gaf.
Abonneren op:
Posts (Atom)